☆ learn some dutch


basic words

hello = hoi / hallo
bye = doei / tot ziens
me = ik
you = jij
us = wij
mine = mijn
our = onze
your = jouw
sweetheart = lieverd
honey = schat
mother = mama
daddy = papa
brother = broer
sister = zus
boyfriend = vriendje
girlfriend = vriendinnetje
aunt = tante
uncle = oom
dog = hond
cat = kat



sentences

my name is ... = mijn naam is ...
how are you? = hoe gaat het?
im doing fine = met mij gaat het goed
i love you = ik hou van jou
i miss you = ik mis jou
i want you = ik wil je
im hungry = ik heb honger
im thirsty = ik heb dorst
where's the restroom? = waar is de wc. ?
I dont speak dutch = Ik spreek geen nederlands
Do you speak enlish? = spreek je engels?
I want to go home = ik wil naar huis
whats your phonenumber? = wat is jouw telefoonnummer?
quit it! = stop daar mee!
I only do it with a condom = ik doe het alleen met condoom
im going = ik ga weg



how to count

1 = een
2 = twee
3 = drie
4 = vier
5 = vijf
6 = zes
7 = zeven
8 = acht
9 = negen
10 = tien
11 = elf
12 = twaalf
13 = dertien
14 = veertien
15 = vijftien
16 = zestien
17 = zeventien
18 = achtien
19 = negentien
20 = twintig
30 = dertig
40 = veertig
50 = vijftig
60 = zestig
70 = zeventig
80 = tachtig
90 = negentig
100 = honderd
1000 = duizend


the animals

dog = hond
cat = kat
duck = eend
chicken = kip
bunny = konijn
goat = geit
sheep = schaap
mouse = muis
ant = mier
butterfly = vlinder
dolphin = dolfijn
tiger = tijger
panda bear = pandabeer
polar bear = ijsbeer
bird = vogel
cow = koe
pig = varken
fish = vis